Herinnering van Tineke Keizer

In haar verhaal over de oorlog noemt Willemine van Andel dat er een ’17-jarig Joods meisje’ bij hen in woonde. Via de website van de Werkgroep Historie Angerenstein kwam in maart 2018 een reactie binnen van een zoon van haar. Zij blijkt de oorlog overleefd te hebben, na vanaf medio 1942 ondergedoken geweest te zijn op 8 verschillende adressen, waaronder dat van de familie Van Andel aan de Prümelaan.
Deze Tineke (Catharina) Smit-Keizer schreef voor haar kinderen en kleinkinderen een boek over deze periode. Onderstaand fragment begint in het centrum van Arnhem, waar ze ondergedoken is bij een groot rooms-katholiek gezin.

Over de slag om Arnhem
Terwijl de branden in onze buurt hoog oplaaiden en in de nacht een onheilspellende gloed veroorzaakten kwam er de volgende dag bevel, dat we allen de binnenstad moesten verlaten. Dat gaf panische schrik. Waar moest iedereen heen? Wie geen familie in de buitenwijken had, moest maar richting Apeldoorn trekken. Op mijn onderduikadres werd er koortsachtig overleg gepleegd. Het gezin was natuurlijk al erg groot en deze mevrouw, had doordat ze weduwe was, al veel verantwoording voor haar eigen kinderen. Om mij er ook nog bij mee te nemen, leek haast onmogelijk. Zo stelde ik tenslotte voor eerst maar naar moeder te gaan. Misschien kwam er dan wel een oplossing. De Grüne Polizei en de S.D. waren met de noorderzon vertrokken, wellicht uit angst, dus was het gevaar iets minder groot voor ons. Na een enkele dag kwamen ze echter weer terug. Na veel wikken en wegen leek het iedereen ook het beste, dat ik naar moeder ging. Deze mensen, die zo goed voor me waren geweest en zo meeleefden met onze sores moesten nu niet nog zwaarder belast worden. Ze hadden nu zelf ellende genoeg. ’s Middags na wat spullen ingepakt te hebben nam ik afscheid van hen. Natuurlijk was dat emotioneel. We zouden proberen elkaar toch nog te laten weten, als we beiden een adres hadden gevonden. Zij met het gezin ergens in Nederland en ik wie weet waar!

Het was een triest uittocht. De toekomst leek donker zonder uitzicht. Ineens zaten we weer volop in de problemen. Ik vluchtte weg uit de binnenstad, die brandde als een fakkel, het onbekende tegemoet. Het leek wel of er geen eind aan kwam. Bij moeder, waar vader ook al verbleef, kon ik niet lang blijven. Moeder informeerde bij de predikant van deze familie, die daar regelmatig over de vloer kwam en kreeg toen te horen, dat ik maar bij hen moest komen. Zij konden nog wel iemand herbergen en gebruiken. Ze hadden ook een flink gezinnetje. Zo verhuisde ik naar de familie van Andel in de Prümelaan in Arnhem.

Begin oktober 1944
Veel tijd om na te denken was er niet op dat moment. In dit nieuwe gezin voor mij, wat tevens ook een pastorie was, was handen vol werk. We waren nu al ruim 2 jaar op de vlucht. Het was weer een heel andere ervaring. De kinderen waren nog jong en er was zelfs een baby bij, Maurits geheten. Ze hadden voor de kinderen een kindermeisje. Ze was een paar jaar ouder dan ik en heette Miep. Het was een aardig gezin. Mevrouw was zowel doortastend als leidinggevend in haar gezin. Ze was een innemende vrouw met een fijnbesnaard gezicht met lieve ogen en donkerbruin haar. Ze was tamelijk lang. Oh, wat was ik gewend geraakt om de mensen die ik ontmoette een beetje te doorgronden. Van lieverlee leerde je mensen te bekijken naar ogen en handen. Dat had ik mezelf eigen gemaakt. De nood om te leren te onderscheiden, had me waarschijnlijk die wijsheid gebracht. Dat heb ik nooit meer afgeleerd.

Dominee was een stukje kleiner en een goedige man, met vriendelijke pretogen. Daarbij een beetje stuntelig in zijn uitingen. Hij was altijd alles kwijt en kende geen psalm uit zijn hoofd. Altijd moest hij zijn vrouw daarover inschakelen. Hij was op het moment, dat ik bij hen kwam wonen druk om zijn gemeente te helpen de ellende van de oorlogshandelingen te dragen. Er viel veel te stencilen in het begin en daarmee kon ik behulpzaam zijn.

Door al mijn ervaringen elders kon ik goed helpen, zowel de een als de ander. De kinderen waren wel gewend aan vreemden. In hun gezin kwamen natuurlijk veel mensen over de vloer. Na mijn verblijf in Heelsum was ik van Anneke weer Tineke geworden. Dat leek toch het meest op mijn echte naam. De dagen, die volgden waren erg enerverend. De oorlog woedde voort, maar het bleek dat de slag verloren was. Dat was moeilijk te verwerken. We hoorden ook van de vele slachtoffers van de luchtlandingen. Vele soldaten, die zo moedig waren gekomen om ons de vrijheid weer te geven, waren gesneuveld. Velen verminkt voor hun verdere leven. Hoe lang zou de oorlog en bezetting nu wel gaan duren?

De angst om nog heel lang te moeten vluchten van het ene gezin naar het andere kreeg soms de overhand. Als de oorlog door Hitler gewonnen werd, wat hing er dan boven ons hoofd? Deze slag was ook verloren. Wat hadden we ons al verheugd, dat we bevrijd werden! Alles was nu zo uitzichtloos. Verbeeld je toch dat de Duitsers ons bezet bleven houden? Dan gingen we zeker dood. Je verbergen kon niet eeuwig duren. Bang was ik soms, heel bang. Ik probeerde mezelf moed in te praten, maar het uitzicht op een lange moeilijke winter met steeds toch gevaren van ontdekt te worden, of verraden te worden hingen als een zwarte donkere wolk boven mijn hoofd. Met niemand kon ik daarover praten, ieder had zijn eigen sores.

Stil ging ik mijn gang in dit nieuwe gezin. De herfst deed zijn intrede. Het leek wel of de wind meehuilde met mijn wanhopige hart. In de tuin stonden de struiken er wat verkleumd bij. De bomen begonnen aan het kleurenspel van de herfst en de wind bracht al wat bladeren op de grond. Een merel scharrelde zijn kostje tussen de struiken. Oh, als ik toch ook eens vleugels had en weg kon naar een land waar vrijheid was. Zo droomde ik daar voor het raam van de achtertuin. Een stem in de keuken riep me en snel liep ik weg van deze sombere gedachten naar de keuken. Daar was ik nodig op dat moment en de kinderen brachten me vlug tot de werkelijkheid terug. Ze waren door alle emoties ook wat lastig. Mevrouw had het ook niet gemakkelijk. Zij was de motor waar alles om draaide.

Een paar dagen later kwamen er vrienden bij de van Andels, die behoorlijk veel hadden beleefd bij Oosterbeek. Het waren wat oudere mensen, die op een middag binnenkwamen met twee dochters en een klein Joods jongetje. Ze hadden een parachute bij zich van de luchtlanding en hadden veel meegemaakt. Toevallig waren ze daar die zondag van de luchtlandingen. Nu waren ze lopend helemaal weer naar Arnhem gekomen en waren doodop na allerlei dramatische ervaringen van de oorlogshandelingen. Ze waren nogal opgewonden, want ze hadden onderweg proclamaties gelezen, dat Arnhem in zijn geheel ontruimd moest worden. Iedereen moest weg, evacueren. Dat was na alles wat er al beleefd was een panische schrik. Waar moest ieder heen?
Zo’n grote stad! Het was voor velen de druppel, die de emmer deed overlopen.

Dominee ging eens poolshoogte nemen en ja hoor, het was niet anders, iedereen moest weg. De volgende ochtend ging ik eerst naar mamma en pappa om te horen hoe zij alles gingen doen. Hoe moest dat met die zieke mevrouw. Daar was ook een panische reactie. Niemand in het gezin kon voor zichzelf zorgen, dus moesten er maatregelen genomen worden. Ze konden ook niet verwachten bij particulieren ondergebracht te kunnen worden. Dat was beslist onmogelijk. Vader en moeder probeerden hen ervan te doordringen dat er voor hun demente vader een onderkomen gezocht zou moeten worden in een tehuis voor zulke mensen ergens in het noorden. Na veel praten zagen ze ook wel in, dat het niet anders kon. Wie moest hiervoor moeite gaan doen? Mamma ging op pad om inlichtingen bij het Rode Kruis en er werd geregeld, dat hij naar zo’n tehuis zou worden gebracht. Dat was heel triest voor hen, want zouden die mensen elkaar ooit terugzien?

Vader en moeder hadden besloten samen maar op stap te gaan en te proberen elders onderdak te krijgen. Dominee had hen aangeraden om in zo’n gemeente waar ze kwamen maar naar de Gereformeerde pastorie te gaan en te vertellen wie ze waren om zo weer een onderduikadres te vinden. Die ziekelijke mevrouw en mijnheer zouden ook door het Rode Kruis vervoerd worden naar een hospitaal in de omgeving en dan zou later er een betere bestemming gezocht worden. Er werd van alles ingepakt en geregeld. Ik nam voorlopig weer afscheid van pappa en mamma. Tranen waren er niet, we hadden al zoveel meegemaakt, je raakte eraan gewend. We maakten wat afspraken om toch nog te weten van elkaar waar we beland waren. Ik zou zelf met de van Andels mee.

Vlug ging ik terug naar de pastorie, want daar moest van alles gebeuren. De van Andels zouden samen met de Meijerinks wegtrekken naar Velp en proberen daar te blijven. De fam. Meijerink kende in Velp een familie die zeker ook mensen zouden opnemen in hun huis en dan was het misschien goed dat wij er met ons allen onze intrek namen. Er was veel te pakken en te organiseren. Er zaten niet veel dagen tussen proclamatie en het vertrek. Ieder was tot het uiterste gespannen en mevrouw had alle moeite om alles in goede banen te leiden. Ze was kordater dan hij en hij liet wat het gezin betrof het meeste aan haar over. Zijn gemeente zou ook over de Veluwe en nog verder over Nederland verspreid worden. Hoe moest dat toch allemaal? Van lieverlee hadden we onze voorbereidingen voor onze evacuatie gereed. De kinderen waren onrustig. Ook voor hen was het een angstige onderneming. Uit de veilige vertrouwde omgeving weg, weg van je vriendjes en vriendinnetjes, van je school en ga zo maar door.

Zelf beleefde ik alles als in een roes. Ik herkende in de droefheid van de kinderen iets van mijn eigen verdriet, toen ik weg moest, maar toen ging ik wel op een andere manier. De angst was anders en zonder mijn ouders. Nu liep ik nog steeds het gevaar om ontdekt of verraden te worden. Na alles wat we meegemaakt hadden, kwam dit er nog bij.

’s Avonds lag ik te denken hoe alles veranderd was en verder zou veranderen. Wel was ik wat zelfstandiger geworden. Ik had geleerd met heel veel verschillende omstandigheden te leven. Heel kort had ik in dit huis gezeten en nu morgen gingen we met elkaar het onbekende tegemoet. De jaren die achter me lagen, leken eeuwen en in mijzelf voltrok zich ook van alles. Het onbeholpen kind van 15 jaar, schuchter en verlegen was inmiddels veranderd. Mijn hele wereld was veranderd. Opa Jaap en tante Saar leken een mooi gedroomd verleden, iets ongrijpbaars, uit een andere wereld, opgeborgen in het allerverste hoekje van mijn hart. Als ik helemaal niet verder kon, dan riep ik het tevoorschijn om kracht te putten uit zijn ‘benschende’ handen op mijn hoofd. Ook nu was er zo’n moment. Na alle angsten en onzekerheden, na alle stille hoop, die op teleurstellingen waren uitgelopen, van een bevrijding, die niet was gekomen. Waar vrijheid een onbereikbaar visioen leek en vrede, heelheid niet meer gehoord kon worden. Stil lag ik alles op te roepen en daarna borg ik het weer op tot een volgende keer als ik het weer nodig had om te kunnen leven. Het was een kostbaar kleinood op de weg diep weggeborgen, iets wat leek op een kristal, dat fonkelde aan alle kanten. Van lieverlee daalde er weer wat rust over mij en in mij en viel ik in een droomloze slaap. Nee we waren er nog lang niet. De volgende dag zouden we vertrekken.

Oktober 1944
De volgende ochtend was het chaotisch. De wegen liepen over van mensen met alles bepakt en gezakt, opgeladen fietsen, handkarren, andere in der haast gemaakte karretjes, kinderwagens volgestouwd. Lopend ging ieder, jong en oud, moeders, die zwanger waren en erg moeilijk vooruit konden. Alles liep op de wegen, sommigen gingen richting Apeldoorn. Wij gingen richting Velp. Golvende mensenmassa’s, huilend, kreunend, starre gezichten, angstige gezichten, sommigen lijdend in stilte. Niemand wist waar hij of zij ’s avonds zou slapen. Allerlei emotionele taferelen speelden zich af. Daartussen liepen wij mee in de stoet van mensen, met een volgepakte kinderwagen, waarin je Maurits amper zag. Verder ook volgepropte fietsen en tassen. Henkje, die ook nog klein was mocht af en toe nog erbij op de kinderwagen. Het was voor hem te ver. Hij was een klein blond kereltje van ongeveer 3½ jaar. De anderen waren iets ouder. Wikke was 7 jaar, Janneke 9 en Fokke 11 jaar oud. Die kleine Simon, dat Joodse jongetje van de familie Meijerink was van dezelfde leeftijd als Henkje. Hij was een donker kereltje, had ook een beetje een donkere huid met gitzwarte oogjes. Een echt Jiddisch kind. Ze hadden hem vermomd met een bepaalde muts en kleren. In deze chaos liep je niet zoveel gevaar. In de middag kwamen we in Velp aan. We gingen naar het adres waarvan de fam. Meijerink de mensen kenden. Het was een groot herenhuis. De mensen heten de Wael Malefeyt. Overal probeerden mensen aan onderdak te komen. Mijnheer Meijerink overlegde met hen en ook zij vonden het goed dat we onze intrek tijdelijk ben hen namen. Anders kregen ze toch anderen toebedeeld. Niemand in Velp kon nee zeggen. De Duitsers hadden er de hand in dat ieder woonhuis er een aantal kreeg toebedeeld. We wilden echter graag bij elkaar blijven en in dit huis was dat mogelijk. Velp stroomde helemaal vol.

We kregen de bovenverdieping toebedeeld en daar konden we het de eerste tijd best redden. Dominee zou nog teruggaan naar Arnhem om nog meer op te halen. Ook nog allerlei dingen uit zijn studeerkamer. Hij moest toch ook verder als pastor. Ook dekens waren hard nodig. De winter stond voor de deur. De Duitsers gingen huis aan huis kijken of er toch wel voldoende mensen in een huis waren opgenomen door de bewoners. We werden hiervan snel op de hoogte gebracht door de buren. Toch schrokken we wel een beetje, hoe moest dat met Simon en met mij? Na kort beraad besloten we dat als ze precies wilden weten wie ieder was, we dan een straat in Arnhem zouden noemen waar alles verbrand en kapot was en dat daar mijn oorspronkelijke woonadres was geweest. Wisten ze veel, alles was nu toch één grote chaos. Ze konden dat nooit meer nagaan. Het bombardement en de latere gevechten hadden zoveel verwoest, dat het onmogelijk was dat nog na te zoeken. Simon was moeilijker, maar voor hem werd ook een oplossing bedacht. We dachten, dat de kinderen niet veel risico liepen en dat bleek later ook. Wat nerveus was ik wel. Mevrouw van Andel sprak me moed in “heus, ze konden het echt niet aan mij zien”, zei ze.

Na een half uur werd er gebeld en mevrouw de Wael Malefeyt deed open. Twee kerels van de S.D. liepen haar voorbij de gang in. In die gang hingen portretten van ons koningshuis. Ze rukten die foto’s van de muur en gooiden ze stuk op de grond. Mevrouw de Wael Malefeyt was ontzet en ook haar man kwam op het lawaai af. Ze zeiden niets en liepen de woonkamer binnen. Ze keken rond en alles wat herinnerde aan onze koningin en haar familie rukten ze van de muren en trapten met hun grote laarzen alles in gruzelementen. Herinneringsborden en foto’s moesten het ontgelden. Deze mensen waren zeer verontwaardigd over dit optreden en mijnheer de Wael Malefeyt vroeg bars wat ze kwamen doen. Toen snauwden ze dat ze wilden weten wie er allemaal in huis waren. Ze wilden het huis zien om te kijken of er nog meer mensen bij konden. Ze kwamen naar boven en daar snauwden ze ons toe dat we allen op een rij moesten gaan staan. Mevrouw van Andel, wit van schrik, moest dan vertellen wie we allen waren. Inwendig trilde ik enorm, maar niemand heeft dat gezien. Alles ging zoals we dachten en ze constateerden dat we met 15 mensen daar verbleven. Toen gingen ze ook daar kijken of er nog meer portretten te vernielen waren. Ze rukten ook daar deze portretten van de muur en trapten met die grote laarzen alles nog extra in stukken. Wat een afschuwelijk machtsvertoon. Nadat ze in alle kamers hun vernielzucht en machtsvertoon hadden bot gevierd, vertrokken ze gelukkig. We voelden ons opgelucht, maar zeer geëmotioneerd. Vooral het echtpaar waar dit huis aan toebehoorde was zeer overstuur van dit brute optreden. We ruimden de scherven op en na nog wat napraten leek het ons het beste maar over te gaan tot de dingen die noodzakelijk moesten gebeuren. We moesten met z’n allen slapen en wat eten. Dat was nu het belangrijkste.

Een paar keer gingen nog enkele volwassenen weer terug naar het huis van de fam. van Andel in Arnhem om nog meer te halen. Ik hielp, waar ik kon, er was genoeg te doen. De kinderen hadden het ook moeilijk. Dominee ging naar het hospitaal om te kijken of hij daar soms kon bijstaan. Ook Sari, de verpleegster ging daarheen. Zij vooral kon van alles doen voor de in haast binnengebrachte zieken. ’s Avonds hoorde ik toen van dominee dat mijn ouders ook een tijdelijk onderkomen in Velp hadden. Ze gingen later wel verder, maar ze wilden die mevrouw niet in de steek laten, die nu samen met haar man in het hospitaal werden verzorgd. Ze probeerden toch ook vandaar uit hen nog wat te helpen om een goede plaats te vinden voor dit echtpaar. Het leek wel de omgekeerde wereld. Pappa en mamma als onderduikers, die zelf in moeilijke omstandigheden de helpende hand boden aan dit ziekelijke echtpaar.

De volgende dag, na een onrustige nacht op geïmproviseerde bedden, probeerden we de taken wat te verdelen. Het leek hen goed als ik die mevrouw in het hospitaal even ging bezoeken om van haar te weten te komen waar pappa en mamma verbleven. ’s Middags zou dat dan gebeuren, dan konden we ’s morgens beter alles regelen en op poten zetten. Dominee zwierf overal heen in Velp om wat te informeren hoe alles met ieder verliep. Hij had ook contact met de kerkenraad gezocht van Velp om te proberen om in Velp te kunnen blijven. Misschien lukte dat wel. Iedere woning was overbelast door het aantal mensen en doordat de zenuwen hooggespannen waren, gaf dat ook aanleiding tot wat agressie hier en daar. ’s Middags om ongeveer 3 uur ging ik dan even naar het hospitaal op zoek naar mevrouw Kuitert. Ik had haar gauw gevonden en bleef een kort poosje naast haar bed zitten. Ik kreeg het adres van pappa en mamma. Erg lang kon ik niet blijven, want ik moest nog van alles voor de van Andels doen.

Nadat ik buiten was gekomen, scheerden er plotseling vliegtuigen vlak over ons heen. In de straat iets verderop stond een tank van de Duitsers wat gecamoufleerd met takken. Weer doken ze omlaag en begonnen te schieten op die tank. Alle mensen, die daar liepen lieten zich plat op de grond vallen. Daar lag ik tussen tientallen anderen en de aanval was zo dichtbij en hevig, dat ik dacht dat dit het einde wel zou zijn. De kogels floten om ons heen en ik probeerde met een shawl mijn hoofd en gezicht te bedekken. Van alles flitst er door je heen. Ik hoorde mensen gillen en kermen en schreeuwen. Na enkele minuten vlogen de toestellen weg en ik ging overeind staan bibberend over mijn hele lichaam. Ik mankeerde niets, helemaal niets. Het leek wel of een beschermende Hand me had toegedekt. Trillende wist ik niet goed wat te doen. Uit het hospitaal snelden nu mensen toe om eerste hulp te bieden. Ze namen me mee naar binnen en gaven me wat te drinken. Ik zei hen, dat ik niets mankeerde en dat ze anderen maar moesten gaan helpen. Het beven hield niet op.

Bij de van Andels werden ze ongerust, dat ik nog steeds niet terug was. Er kwam iemand bij hen binnen van wie ze hoorden wat er gebeurd was bij het hospitaal. Ze vreesden dat ik ook gewond was. Dominee ging toen onmiddellijk op zoek naar mij. Het eerste uur was ik niet in staat om naar huis te gaan. Toen ik wat gekalmeerd was, ben ik naar huis gehold, bang voor een nieuwe luchtaanval. Hijgend en over mijn toeren kwam ik thuis. Dominee, die mij niet kon vinden, kwam even later thuis. Ze probeerden me te helpen en van lieverlee werd ik wat kalmer.

Die nacht werd ik erg ziek, zo ziek, dat ik niemand meer herkende. Hoge koorts maakte dat ik ijlde. Dominee en mevrouw waren erg ongerust. Sari, de verpleegster, die een zware taak in het hospitaal had gekregen, werd uit bed gehaald. Ze vond het toch het beste om een dokter te raadplegen. Zelf had ze een dag en een nacht achter elkaar gewerkt en moest nu slapen. De dokter gaf medicijnen maar vond het raadzaam mijn ouders te waarschuwen. Ook gaf hij opdracht, dat er gewaakt moest worden ’s nachts tot de koorts wat zakte. Mijn ouders kwamen, opgespoord door dominee, maar ook hen herkende ik niet. De eerste nachten daarna heeft Sari bij me gewaakt en me verzorgd. Dagen heb ik daar op bed gelegen en na enkele dagen nam de koorts wat af. Het heeft drie weken geduurd voor ik weer op mijn benen kon staan. Het had me erg aangepakt. Mijn bleke gezicht met grote kringen onder mijn ogen gaven mijn gezicht een extra accent. Ook mijn zelfvertrouwen had een deuk gekregen. Over de beschieting werd niet meer gesproken. Ik duwde dat zelf ook wat weg, maar gedachten kun je niet stilzetten en af en toe besefte ik hoe wonderbaarlijk het was, dat ik nog steeds leefde. Mijn drang om te leven had het toch gewonnen. Ik probeerde weer in het ritme van het dagelijks leven te functioneren.

Toen het wat beter met me ging, waren ook mijn ouders uit Velp vertrokken. Ze mochten niet in Velp blijven. De meesten moesten van de Duitsers verder trekken. Ze konden toen met een open wagen, door paarden getrokken verder de Veluwe op. Ze zouden wel zien, waar ze terecht zouden komen. Dominee van Andel had inmiddels vernomen dat ds. Hart die met zijn gezin in Velp woonde was ondergedoken, omdat hij in het verzet zat en ze hem zochten. De kerkelijke gemeente zat nu zonder predikant en ze vroegen van Andel toen hand en spandiensten te verlenen. Wat tijd voor Velp en wat tijd voor zijn gemeente verspreid over de Veluwe. Dan konden we misschien wel in Velp blijven. Ze stelden dus voor dat we in het huis van de fam. Hart konden gaan wonen met z’n allen aan de Roosendaalselaan 44. Dominee had toestemming van de Duitsers gekregen om daar met ons te gaan wonen op voorwaarde dat hij zich bereid verklaarde, dat als het nodig was, Duitse soldaten bij te staan als ze geestelijk in nood waren in ziekte of stervensfase. Dat beloofde hij en zodoende trokken we in dat huis. We woonden toen met 15 mensen daar. Mijn herstel ging langzaam. We hadden natuurlijk niet voldoende middelen van eten om weer wat veerkracht terug te krijgen. Ik had een bewijs gekregen dat mijn persoonsbewijs was verbrand in Arnhem en kreeg daardoor ook bonkaarten. Dat was een geluk bij een ongeluk. Zodoende liep ik toch wat minder gevaar. In de eerste tijd had ik weer meer angst voor de beschietingen die regelmatig plaatsvonden. Mijn onzekerheid was, door wat er gebeurd was, toch weer teruggekomen. We lagen ook aan het front. De taken in het gezin werden verdeeld. Miep was er voor de kinderen, dus bleef er voor mij niets anders over dan voor de boodschappen en de verdeling per dag te zorgen. Dat bestond dus wel uit in de rij staan bij bakker, melkboer en slager enz, enz. Uren stond ik daar met onze bonkaarten om wat eten te hebben voor ons allen. Daar moest erg veel tijd aan besteed worden.

Ook het schoonhouden van alles deden we gezamenlijk en ook daar hielp ik vanzelfsprekend aan mee. Dominee kwam nog wel eens thuis van een fietstocht naar zijn verstrooide gemeenteleden met wat extra eetwaar. Tijdens die bezoeken ontving hij dit. Tegenover ons woonde een gezin, dat we leerden kennen, waarvan de man met een bestelwagen naar Friesland reed om kaas te halen. Dat was zijn vak. Van hem konden we dan wel eens een goed stukje kaas kopen. De kaas op de bon was 20% kaas en niet lekker, het leek net leer. Als we deze kaas kregen dan juichte iedereen weer. Ook de kinderen waren hongerig. Ik deelde dagelijks de kleffe broden in het gezin. Om de beurt kregen de kinderen het kapje van het brood extra. Het leek wel of het gebak was. Ze lieten hun beurt nooit voorbijgaan. Ieder kreeg zoveel boterhammen. Ook probeerde ik steeds iets over te houden om in noodgevallen toch nog wat te hebben. Dat wisselde ik dagelijks zodat er steeds weer vers lag. Later heeft dat goede diensten bewezen. Bij een boer vlakbij de Westervoortse brug, mochten we dagelijks een liter goede melk halen voor de allerkleinste, Maurits. Die boer was een lid van de kerk. Dat ziekelijke echtpaar waar moeder zo lang was geweest, was ook uit Velp vervoerd naar het Noorden naar een verpleegtehuis. Arnhem was nu helemaal leeg. Het was een spookstad geworden.

Leave a Reply