Landgoed Rennenenk

Rennenenk was van oorsprong een boerenbedrijf. Net als Angerenstein komt het voor op de goederenlijst van de abdij van Prüm, maar in de vijftiende eeuw werd het nog Goed te Voorholten genoemd. In 1452 wees de abdij van Prüm het klooster Monnikenhuizen aan als leenman. Jan Jacobs Rennen uit Velp is de eerste pachter waarvan de naam ons bekend is.[1] Hij bewerkte hier in 1596 en misschien al eerder het land. Vanaf 1636 werd het goed steeds vaker naar hem genoemd: Rennen Enk.

Rond 1750 was Rennenenk in bezit van Steven de Voogt, heer van Presikhaaf.[2] Hij liet een geheel nieuw huis bouwen. Van het oorspronkelijke gebouw bleef alleen de kelder bewaard,[3] die volgens het bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg mogelijk al in de zeventiende eeuw was gemetseld. Het nieuwe huis bestond alleen uit het deel dat nu het dichtst bij de Velperweg ligt en een aanbouw aan de achterzijde.

Steven de Voogt stierf ongehuwd in 1765 en liet Rennen Enk na aan de kinderen van Jan Guiliam Slicher en A.E. Bitter, die het in 1791 verkochten aan Rutger Reinier Keyser, die toen ook eigenaar van Klarenbeek was. Toen Rutger overleed, verkocht zijn broer Abraham Willem Constantinus Keijser het ‘erf en goed Voorhouten, ook Rennenenk genoemd, bestaande in huis, schuur, berg, schaapschot enz. enz.’, voor f 3000 aan zijn neef Johannes Justinus Keyser. Die gaf op 2 mei 1808 opdracht aan de timmerman Lucas van Ooy het oude woonhuis af te breken en door een nieuw te vervangen. Maar uit het bouwhistorisch onderzoek voor de renovatie in 2000, blijkt dat het nieuwe huis al veel eerder gebouwd moet zijn, rond het midden van de achttiende eeuw. Misschien is in 1808 niet een heel nieuw huis gebouwd, maar alleen een nieuwe vleugel.
Bij vergelijking met het kadastraal minuut van 1832  stuiten we op nog een probleem. De omvang van het hier getekende gebouw is niet in overeenstemming met het bouwhistorisch onderzoek. Hoewel het gehele gebouw in rood getekend is en er dus geen latere wijzigingen van het minuut (altijd in blauw) hebben plaatsgevonden, zijn er binnen het gebouw toch enkele andere lijnen waar te nemen. Misschien duidt dit op een verbouwing tussen het tijdstip van eerste meting en het tekenen van het minuut. Ook is het mogelijk dat de hier getekende westvleugel bij de verbouwing van 1849 geheel gesloopt is en er bij het bouwhistorisch onderzoek geen resten meer aanwezig waren.

Huis Rennenenk in 1832

Na het overlijden van Johannes Justinus in 1816 kwam Rennen Enk weer in eigendom van A.W.C. Keyser, die er woonde tot zijn dood in 1819, waarna het in 1820 gekocht werd door Jan baron van Pallandt van Klarenbeek. In 1823 verhuurde hij het pand aan het jonge echtpaar Mr. Johan Theodoor Hendrik Nedermeyer van Rosenthal en Jeannette Wilhelmina Baronnesse van Eck, dochter van Samuel baron van Eck en Jacoba Louisa Baronnesse van Lynden, die op Overbeek te Velp woonden. Nedermeyer van Rosenthal was auditeur-militair (openbare aanklager in het leger)  en voerde daarnaast nog een advocatenpraktijk. Vanwege zijn drukke werkzaamheden in de stad verhuisde hij in 1830 naar het centrum van Arnhem. Hij was Nederlands Hervormd en Vrijmetselaar, Tweede Kamerlid van 1841 tot 1852 en minister in het kabinet Thorbecke I, van 1849 tot 1852. (Minister van Justitie en minister van Minister van Zaken van de Hervormde en andere Erediensten, behalve die der Rooms-Katholieke). In 1834 werd hij opgenomen in de Nederlandse adel als ridder en mocht hij het predikaat Jonkheer voeren.

Na het vertrek van Nedermeyer van Rosenthal verhuurde Van Pallandt Rennen Enk aan zijn dochter Adpolphine en haar echtgenote Joan Jacob Adolph Alexander van Pallandt. Joan, een neef van Adolphine, was raadslid en kamerheer van de koning en werd in 1841 burgemeester van Arnhem. Het paar liet Rennenenk in 1849 ingrijpend verbouwen. Ze hadden meer ruimte nodig voor hun twaalf kinderen en voor de soirées die een burgemeester hoorde te geven. De grote Moorse zaal was daar heel geschikt voor. Het gezin heeft veel leed gekend: vijf kinderen zijn overleden en een van de zonen heeft in de gevangenis gezeten.[1] Joan overleed in 1876 en Adolphine in 1884.

J.J.A.A. van Pallandt

portret van JJAA van Pallandt

Rennenenk voor en na de verbouwing van 1849

Lithografie van het huis Rennenenk

rennenenk

De Plattegrond van na 1849 

Huis Rennenenk, begane grond

Bouwfasen Rennenenk

bouwfasen rennenenk

Wilprand van Pallandt, oudste zoon van Adolphine en Joan, bleef zijn hele leven op Rennenenk wonen, tot 1910.[2] In tegenstelling tot zijn vader en grootvader heeft hij geen publieke functies in Arnhem uitgeoefend, de tijd dat deze functies min of meer erfelijk waren was voorbij. Na zijn dood bleef zijn zoon Maurits Jan met zijn moeder op Rennenenk wonen. Maurits Jan was enige tijd vice-voorzitter van Vitesse en zat in het bestuur van de Oranjevereniging.[3] Toen de Duitsers het huis in 1941 vorderden, mochten Maurits Jan en zijn moeder in een paar kamers op de eerste etage blijven wonen. Zijn moeder overleed in 1946. Maurits Jan verkocht Rennenenk in 1950 aan Insula Dei, maar bleef er nog vijf jaar op kamers wonen.[4]

[1] Menno Potjer, ‘Paupers in Velp, 1592-1637’ in Arnhem de Genoeglijkste 2006, p. 175-178
[2] J.S. van Veen, ‘Rennenenk-Voorholten. (Kleine bijdrage tot de geschiedenis van dit aan den Velperweg in de gemeente Arnhem gelegene landgoed.)’, in Bijdr. Med. Gelre XVI, p.358.
[3]  RDMZ, Ir. G. Berends: Documentatierapport Arnhem. Huize Rennenenk, 1966
[4]  J. G. A. van Hogerlinden, ‘Dagboek van A.W.C. Keijser over de gebeurtenissen in de jaren 1794 en 1795 in Gelderland’ in Bijdr.Med. Gelre 1915
[5] Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1857, p. 55 e.v. Nedermeyer was Ned. Hervormd en Vrijmetselaar. Hij was Tweede Kamerlid van 1841 tot 1852 en minister van Justitie en Erediensten in het kabinet Thorbecke I, van 1849 tot 1852. In 1834 werd hij opgenomen in de Nederlandse adel als ridder en mocht hij het predikaat Jonkheer voeren.
[6] J.A. Bervoets, Dagboek van Verhuell 1860-1865 (Arnhem 1985), p. 58
[7] Hij is overleden in Den Haag, cf. het Adelsboek
[8] Arnh. Crt., 3 aug. 1931 en GldA., ADC nr 18
[9] mevr. M. Cox-Elias, De geschiedenis van Rennen-enk, 1976, niet gepubliceerd, in bezit van de werkgroep

Leave a Reply