De legende van de stichting van het Kartuizer klooster te Monnikhuizen

Uit: Geldersche Volksalmanak voor het schrikkeljaar 1876

De overlevering verhaalt, dat de hertog, vergezeld van den abt van Mariënweerd, die zeer in zijn vertrouwen deelde, op zekeren avond reed door het bosch, thans het Klarenbeeksche genoemd, toen een grijsaard in eenvoudige kleeding zich voor zijn paard wierp en hem dringend verzocht daar ter plaatse het klooster te stichten. Deze oude was vroeger dienaar geweest van Reinalds vader en had daarna aan het hoofd eener rooversbende gestaan, totdat hij gevangen genomen werd door Jan I, hertog van Brabant, die hem echter leven en vrijheid schonk op voorwaarde, dat hij diens mededinger naar het hertogdom Limburg, zijnen vroegeren heer zou ombrengen. De sluipmoordenaar bracht Reinald I wel eene geduchte, maar geene doodelijke wonde toe. Echter, in den waan den graaf te hebben vermoord, had hij na dien tijd nergens rust. Vóór vijftig jaar geleden zettede hij op een’ guren winterdag zich neder aan den voet van een’ eik. Het was juist Kerstdag. De Decemberstorm gierde hem om de ooren en sneed hem in het gezicht. Peinzende overvalt hem de avond toen hij uit zijne mijmering werd opgeschrikt door een welluidend kerkgezang, dat uit eene verlichte kapel hem tegenklonk. Hij knielde neder en bad vurig. Eindelijk opstaande omringden hem nachtelijk duister en doodsche stilte. Geen lichtglans werd meer gezien, geen zang meer gehoord. Van dien tijd af vertoefde hij in deze boschrijke streken, waar hij zich eene hut bouwde, waarin hij gedurende eene halve eeuw met heete tranen zijne zonde beschreide. De vorst en de geestelijke vergezelden den berouwhebbenden grijze naar zijne schamele woning, en toen de abt, nederknielende, een gebed prevelde, ruischte het door de toppen der ontbladerde boomen: “dit is mijne plaats!” Den oude heeft men sedert nooit weergezien.

 

Leave a Reply